
175 jaar De Wachter: bloeiperioden en stilstand
AlgemeenZUIDLAREN - Molen De Wachter in Zuidlaren bestaat dit jaar 175 jaar. De Wachter werd gebouwd als koren- en oliemolen en kende in zijn lange bestaan zowel bloeiperioden als tijden van stilstand. Zoals zo vaak in de geschiedenis gingen voorspoed en tegenslag hand in hand. Toch heeft de molen, dankzij de inzet en toewijding van velen, de tand des tijds doorstaan en is zij uitgegroeid tot het waardevolle culturele erfgoed dat er vandaag nog staat.
Egbert van Bon nam in 1851 het initiatief voor de Zuidlaarder molen. Hij was de zoon van Berend van Bon en Aaltje Hagedoorn. Berend was een succesvolle boer en molenaar met twee molens aan de Plankensloot. Egbert trouwde met Anna Bazuin, die als bruidsschat 25.000 gulden meebracht: een aanzienlijk bedrag dat voldoende was om de bouw van de molen aan de Zuidlaardervaart mogelijk te maken. De vaart speelde een belangrijke rol in de vestigingsplaats van de molen. Door het graven van de vaart, die in 1834 gereedkwam, kreeg Van Bon de kans om de molen te bouwen, want vervoer over water was van belang voor de molen. Als de vaart niet zou zijn gegraven, dan was de molen er ook niet geweest.
Het is onduidelijk wie de molen gebouwd heeft. Soms wordt de naam Kruijer uit Assen genoemd, maar uit archiefonderzoek is gebleken dat er wel een Kruijer uit Assen bestond, maar dat hij geen molenbouwer was. Ook wordt wel gesteld dat Egbert van Bon de molen grotendeels zelf heeft gebouwd.
De molen is een achtkante stellingmolen, gedekt met riet en geplaatst op een stenen voet, met de stelling op 9,55 meter hoogte. De molen heeft twee maalkoppels en een stel kantstenen. Het gevlucht is 21,75 meter lang en heeft een speciale uitvoering van de fokwieken met remkleppen. De remklep bestaat uit de onderste helft van de fok, die in zijn geheel draait. De fok loopt ver voorbij de achterkant van de roe door. De remkleppen worden met de hand bediend. Onderdelen van de molen zijn al gerestaureerd, maar sommige materialen zijn nog origineel. Dan te bedenken dat sommige houten balken zijn voortgekomen uit een eikel waaruit ongeveer drie eeuwen geleden een boom groeide.
De molen was een gecombineerde koren- en oliemolen met drie functies: het malen van graan, het persen van oliehoudende zaden en het malen van specerijen. De zaken gingen in de beginjaren uitstekend. Het gezin kon royaal leven en de drie zonen, Jan, Albert en Arend, werkten mee in het bedrijf. Zij kregen een gedegen molenaarsopleiding in Duitsland. In de molen liepen ze met koksmutsen en zijden zakdoeken, een teken van hun welstand. Het luxe leven had ook een keerzijde. De kosten liepen hoog op en toen er bovendien een economische crisis uitbrak, raakte Egbert in financiële problemen. Uiteindelijk werd hij slachtoffer van een koude sanering en kwam de koren- en oliemolen tot stilstand.
Jan Medendorp nam de molen in 1895 over. Hij moderniseerde het bedrijf ingrijpend door een stoommachine aan te schaffen voor het oliewerk, waardoor hij minder afhankelijk werd van de wind. De molen kan momenteel draaien op drie energiebronnen: wind, stoom en elektriciteit. De molen beschikt momenteel ook over een generator. Veel traditionele molens verloren hierdoor hun functie.
Medendorp breidde het bedrijf uit met een specerijenmaalderij. Ondanks deze investeringen bleef groot financieel succes uit. De Wachter ontwikkelde zich tot een moderne oliefabriek, tot in 1934 een nieuwe economische crisis kwam en de fabriek moest sluiten. Veel machines verdwenen en de bedrijvigheid kwam opnieuw tot stilstand.
Pieter Hendrik Medendorp nam het bedrijf in 1945, na de Tweede Wereldoorlog, over. De toekomstperspectieven waren beperkt. Door de komst van de zuivelfabrieken verloor het malen van graan zijn betekenis. Tot 1950 bleef de molen nog beperkt in bedrijf, waarna definitieve stillegging volgde.
Zoon Dick Medendorp was van jongs af aan rond de molen te vinden. Hij volgde een opleiding bouwkunde en een molenaarsopleiding. Hij besloot zich toe te leggen op het bouwen en restaureren van molens. Nieuwe molens werden niet meer gebouwd, maar talloze molens hadden restauratie nodig. Het bracht Dick bij restauraties in Nederland en in het buitenland. Vooral de jaren 70 waren een bloeiperiode voor restauraties door de ruime subsidies.
Dicks grote droom was om een eigen molen te bezitten en in 1967 werd dat werkelijkheid. Hij werd eigenaar van De Wachter. De molen was sinds de stilstand in 1950 wel draaiende gehouden. Dick begon met enorme toewijding aan een grootscheepse restauratie. De schuren werden opgeknapt, de olieslagerij werd hersteld en verdwenen machines werden teruggekocht. Een bijzondere prestatie was de terugkeer van de originele wringers, die in 1936 waren verkocht aan een fabriek in Langweer. Zo kreeg De Wachter stap voor stap zijn oude grandeur terug.
Het werk bleek echter te omvangrijk voor één persoon, vooral het onderhoud van het stoomgedeelte. Daarom werd in de jaren 80 de Stichting Koren- en Oliemolen De Wachter opgericht, waarmee het voortbestaan van de molen werd veiliggesteld.
Inmiddels is er in en bij de molen een museum gevestigd. De molen herbergt zestien stoommachines, een smederij, een ambachtelijke bakkerij, een bakkerswinkel, een molenmakersgereedschappenmuseum en een kruidenierswinkeltje uit 1890. De klompenmakerij van Roelof Westerhof uit Tynaarlo is overgebracht naar De Wachter. Verder is sinds 2008 ook de oude stelmakerij (houtbewerkingswerkplaats) van de gebroeders Dijkhuizen uit Gieten in gebruik. Ook heeft het museum een stoomlocomobiel, een stoomtractor en een stoomboot. De doelstelling is alles werkend te demonstreren.
De waarde van De Wachter ligt volgens Hennie Fidder-Westerveen, voorzitter van de Historische Vereniging Zuidlaren, niet alleen in het gebouw zelf. Het museum laat ons zien, horen en soms zelfs voelen hoe het er vroeger aan toe ging. Het houdt een wereld levend die anders gemakkelijk in de vergetelheid zou kunnen raken. We moeten ons blijven realiseren hoe anders het leven en werken vroeger was. Handenarbeid vormde toen de belangrijkste energiebron en het bestaan — zeker voor een dagloner — was vaak zwaar en onzeker. Laten we niet vergeten hoeveel inzet, vakmanschap en soms zware arbeid er schuilging achter het dagelijks leven van vroeger. Dat besef maakt het erfgoed dat wij dit jaar vieren des te waardevoller.
Bron: De Zeven Brinken (tijdschrift van de Historische Vereniging Gemeente Zuidlaren)







